Gezonde gebouwen stimuleren ontmoeting

Volgens Koen Klijn, Managing Partner bij Ector Hoogstad Architecten, is er een trend gaande dat opdrachtgevers méér vragen dan gewoon een (technisch) goed gebouw. Nieuwe gebouwen moeten vandaag de dag liefst ook gewenst gedrag door de gebruikers stimuleren, of zelfs aantoonbaar bijdragen aan een bepaalde bedrijfscultuur. Mark Mobach, lector en onderzoeker Facility Management aan de Hanzehogeschool Groningen, waarschuwt voor ‘sturen op platitudes’. “Ik ken geen onderzoek dat aantoont dat het gebruik van veel glas automatisch leidt tot een open cultuur.”


Bron: Dit is een ingekort en aangepast artikel uit SWP magazine #6 over Reboarding van onze kennispartner Smart Workplace. Lees het magazine op de site van Smart WorkPlace.

Mobach: “De aanleiding voor dit gesprek is jouw stelling dat opdrachtgevers steeds vaker een soort extra laag leggen op het traditionele programma van eisen. Klijn: “Het aantal opdrachtgevers dat méér vraagt dan een goede bouwfysische basis – zaken als goede luchtkwaliteit, akoestisch, thermisch en visueel comfort, enzovoorts – is groeiend. Er wordt vaker breder, je zou ook kunnen zeggen meer holistisch naar een gebouw gekeken. We ontwerpen bijvoorbeeld altijd een routing, die ervoor zorgt dat mensen elkaar zien en tegenkomen. Zodat in een gebouw ook echt een gemeenschap kan ontstaan.

Corona

20200720 ServiceFutures - gezonde gebouwen - Mark MobachMobach: “Hoe belangrijk gebouwen zijn voor mensen en organisaties zie je in de coronacrisis ook heel duidelijk. Na een periode van thuiswerken ga je toch belangrijke zaken missen. Je dagelijkse reis- en werkrituelen en de natuurlijke afwisseling van nabijheid en afstand tot je werk die daardoor ontstaat. De ontmoetingen met collega’s, het gebouw waaraan je trots ontleent en mensen ook écht zien en spreken. Dat voelt toch weer heel anders dan alleen maar digitaal. Veel persoonlijker ook. Als mensen zijn we ook ingesteld op variëteit, en dat is op dit moment een volledige emotionele kaalslag. Je voelt en ziet letterlijk veel meer afstand.

20200720 ServiceFutures - gezonde gebouwen - Koen Klein

Compleet onwerkelijk is natuurlijk ook dat het kantoor opeens een plek van latent gevaar is voor je gezondheid. Daarmee komt ook de werkplek in een heel ander daglicht te staan. Ik verwacht dat we, net zoals in de zorg, ook in kantoren discussie krijgen over ruimte, besmettingsgevaar en ziekteverzuim. Het kan niet anders dan dat gaat kantelen. We kijken nu toch anders naar elkaar. Ik verwacht dat dit nog lang zal doorwerken, ook op beslissers en ontwerpers. De discussie over ruimte en gezondheid gaat daarin ongetwijfeld mee.”

Klijn: “Ik kan nog niet inschatten hoe deze crisis gaat doorwerken in hoe we gebouwen maken, daar is het nog te vroeg voor. Maar de trend, die we al langer zien, is dat werkomgevingen in het teken staan van ontmoeting en uitwisseling, en dat zie ik in onze kennismaatschappij toch niet snel veranderen. Er komen vast andere spelregels, maar het spel zelf blijft: werkomgevingen moeten de gezondheid van en de interactie tussen gebruikers stimuleren. Dat belang is straks nog duidelijker dan het al was.”

Complexiteit en flexibiliteit

Mobach: “Ik ben het helemaal met je eens dat opdrachtgevers zich steeds meer realiseren dat een kantoorruimte ongelooflijk veel invloed heeft. Wel denk ik dat het misschien nog wat vroeg is om van een brede trend te spreken. Ik ben bang dat veel opdrachtgevers nog niet zo denken. Opdrachtgevers en organisaties hebben een andere dynamiek: een gebouw zet je neer voor 50 jaar of langer, maar de organisatie erin verandert voortdurend. Er wordt vaak gebouwd om een specifiek logistiek proces te faciliteren. Als dat verandert of verdwijnt, houd je een ruimte over die is ontwikkeld voor een specifiek proces – en wat wordt dat dan? Zoek je daarvoor een nieuwe bestemming? Of laat je de architect een dusdanig flexibel gebouw ontwerpen dat je steeds alle kanten op kunt?”

Klijn: “Flexibiliteit is al jaren het belangrijkste thema in de programma’s van eisen van werkomgevingen. Vijftien jaar geleden maakten we echt puur activiteit-gerelateerde kantoren. Je moest ergens mailen en ergens anders bellen en weer ergens anders vergaderen. Dat is allang niet meer zo, want mensen wisselen die activiteiten voortdurend af. Dus nu maken we omgevingen met een grote mate van gebruiksflexibiliteit, waarin een gebruiker een plek zoekt die aansluit bij hoe hij zich op dat moment voelt, of het soort werk dat hij wil gaan doen. En het is dan belangrijk dat je samen met de opdrachtgever een goed beeld krijgt van wat voor soort ruimtemix past bij de organisatie. Bij de cultuur die je hebt en, belangrijker nog, bij de cultuur die je wilt krijgen.”

Mobach: “Dat laatste vind ik interessant. Want dit betekent wel dat je architectuur-studenten moet gaan opleiden die iets snappen van hoe organisaties werken en zich ontwikkelen in de tijd. En andersom: dat organisaties het gesprek aangaan met de gebruikers en serieus proberen te achterhalen waarin ze ondersteund willen worden. Die architect is namelijk geen wonderdokter. Dus in mijn visie zullen we veel integraler moeten gaan opleiden.

Klijn: “Helemaal mee eens. Wij hebben het geluk dat we de meeste van onze gebouwen ontwerpen voor een eindgebruiker, die vaak ook opdrachtgever is. Daardoor kunnen we met onze co-designmethode het gebouw en het interieur integraal ontwerpen, samen met de vastgoedprofessionals en facilitaire mensen. Daarbij zijn tegenwoordig vaste thema’s: hoe maximaliseren we de ontmoeting – zonder overlast, met name akoestisch – en hoe maken we het gebouw zo inspirerend mogelijk?

Extra investeringen in duurzaamheid, well-being en gezondheid

Mobach: “Ik ben een groot voorstander van co-design, maar als onderzoeker valt mij wel op dat er nog maar nauwelijks sprake is van georganiseerd lerend vermogen op dit vlak. Er worden tal van mooie concepten bedacht, maar er wordt bijna nooit een nulmeting gedaan en eigenlijk wordt ook niet achteraf gemeten of die nu ook echt iets doen. Daar zouden we nieuwsgieriger naar moeten zijn. We moeten veel meer inzetten op beargumenteerde best practices: dit werkt, en wel hierom.

Klijn: “Het klopt dat er nog weinig wetenschappelijk onderzoek naar gedaan is, maar dat is ook erg lastig. Want je verandert met een nieuw gebouw een heleboel factoren tegelijk, en dus weet je nooit waar nu exact de winst vandaan komt. We hebben allemaal verschillende behoeften en de vraag is of je die allemaal meetbaar kunt maken. Of zelfs meetbaar zou moeten willen maken.”

Mobach: “Wat ik wel goed vind aan die ontwikkeling is dat het helpt om opdrachtgevers een ander soort investeringsplaatje voor te schotelen. Uit onderzoek in de VS naar ziekenhuizen is gebleken dat als je als ziekenhuis 8% meer investeert in het gebouw, je dat in drie jaar terugverdient omdat patiënten bijvoorbeeld sneller genezen. Dat soort data helpt dus de geesten in de markt rijp te maken voor extra investeringen in duurzaamheid, well-being en gezondheid. Als iets dat geen overbodige luxe is, maar iets dat zich dubbel en dwars terugbetaalt. We hebben best nog een weg te gaan, maar ik verwacht dat opdrachtgevers op zeker moment gaan zeggen: het maakt me niet uit hoe je het bouwt, dit is wat wij doen en maak iets. En ik wil dat mijn gebruikers er een 8 voor geven. Maar voor het zover is moeten we eerst nog heel veel leren! Om precies te snappen hoe mensen, organisaties en gebouwen beter op elkaar aansluiten.”